Teunis Bunt interviewt Marian Mijnhardt
T: Schilder jij al lang?
M: Vroeger heb ik veel geknutseld. Mijn moeder was kleuterleidster. Aan het
eind van de middelbare school heb ik een jaar een cursus gedaan op KREK. Ik
heb eerst een andere opleiding gedaan en een praktijk voor natuurgeneeswijze
gehad. Na de geboorte van mijn tweede kind ben ik gestopt met de praktijk
en ben me toen serieus met kunst bezig gaan houden. Bij Krek kun je leuk schilderen
maar na een aantal jaren bevredigde dat niet meer, ik wilde meer.
T: Wat wilde je?
M: Eerst niks, het flitste heen en weer. Ik wilde beter worden en beter weten
wat ik wilde. Zeven jaar geleden ben ik begonnen met de Nieuwe Academie in
Utrecht. Die bestaat nu 25 jaar. Het is een low budget, parttime kunstopleiding,
een directeur en 5 docenten. Je krijgt daar 1 dag les in de maand en niet
veel techniek. Je wordt vooral begeleid in het zoeken van je eigenheid. Ik
kwam binnen met allerlei portretten. ‘Galerieportretten’ zeiden
ze daar, ‘dat kun je nou wel. Ga maar iets anders doen.’ Het duurde
lang voordat de click kwam.
T: Hoe bedoel je? Hoe is je werk veranderd?
M: Dat ik me ben gaan afvragen wat ik wil toevoegen aan de beeldende kunst.
Je krijgt niet te weten welke bron je nog kunt aanboren. Door heel hard te
werken ontstond er een thema. Heel lang heb ik benen geschilderd.
T: Wat fascineerde je daaraan?
M: Dat er een soort onderwereld bestaat. Later kwam het perspectief van het
kind er bij.
T: Zijn die benen intussen bomen geworden?
M: Ja. Ik ben opgegroeid op de Hartenberg. Als kind was ik een natuurfreak.
Daarna ben ik de stad gaan studeren. In het jaar dat Andries niet werkte heb
ik een baan gevonden bij het Nat. Park De Hoge Veluwe. Ik kreeg in die tijd
ook een opdracht van restaurant De Sterrenberg om iets op de pilaren te schilderen.
Zoals je achter bomen kunt staan, zo heb ik die pilaren gebruikt. Eerst waren
de pilaren een sta-in-de-weg, door er bomen van te maken werden de pilaren
de open ruimte. Ik hou van het bos.
T: De bomen springen in jouw werk er echt uit. Er hangt ook altijd iets van
vakantie om heen, niks moeten en zo. Ligt dat aan mij?
M: Door mijn kleurgebruik en het afbeelden van kinderen heeft mijn werk een
helderheid. De kleur doet vrolijkheid vermoeden, maar is dat wel zo? Dat dubbele
zit er in, ik kan het niet benoemen.
T: Zoek je naar meerduidigheid? Het meisje tussen de bomen is heel alleen.
De reden dat ik jou heb uitgekozen voor dit interview is dat jouw werk een
zekere monterheid heeft. Het zijn mooie plaatjes, maar als het dat alleen
zou zijn, verveelt het. Het blijft boeien, dus moet er iets meer aan de hand
zijn. Bij het bekijken van jouw schilderijen word ik met mijn eigen oppervlakkigheid
geconfronteerd.
M: Dat heb ik met jouw werk ook. Je kunt heel luchtig schrijven en toch zit
er een prikkeling in.
T: Zoals in de columns over Bush en Irak, daarin ben ik eigenlijk heel ernstig.
Maar over het algemeen schrijf ik ze slechts om het publiek te vermaken. Ik
til in sommige van die columns ook niet zo zwaar aan mijn eigen mening. Die
wordt soms gedicteerd door de vorm. Jouw werk is aantrekkelijk voor veel mensen.
Krijg je veel reacties?
M: Ja, mensen schieten ook wel in de lach als ze mijn werk zien. Mensen houden
van vrolijke kleuren. Hoewel ik merk dat het minder verkoopbaar is na de kunstacademie
dan er voor.
T: Vind je dat belangrijk?
M: Ik heb geworsteld met dat kantelpunt. Vroeger ging mijn werk als warme
broodjes over de toonbank. Ik ben nu meer trouw aan wat ik zelf wil vertellen.
In plaats van 10 te verkopen, verkoop ik er nu 0,1 en daar moet ik hard naar
zoeken.
T: Is het helder wat je wilt? Ontwikkelt zich dat verder, als een put die
je uitgraaft?
M: Het werk verschuift. Uit het een volgt het ander en het voegt iets toe.
Soms heb ik het idee dat ik er zelf niet veel vat op heb. Bijvoorbeeld met
de bomen. Voor het Albert Heijn project heb ik 45 kleine schilderijtjes gemaakt.
Ik zag toen een foto van windmolens en stel daar weer beelden uit samen. Stoeien
met de verhoudingen om een nieuwe wereld te creëren. Van daaruit werk
ik verder om met verhoudingen iets te doen. Het meisje met de windmolens is
zo ontstaan. De ideeën komen vanzelf. Herken jij dat? Hoe gaat dat bij
jou?
T: Het idee is het moeilijkste van het schrijven. Als je dat eenmaal hebt,
lukt het schrijven ook wel. Maar ik vermors ook veel tijd. Ik heb vaak veel
excuses om niet te gaan schrijven.
M: Schrijf je veel op?
T: Ja van alles, vandaag nog. Ik zie 4 Jehovagetuigen, waarschijnlijk 2 stellen.
Het zijn best leuke mensen. Maar als ik eerlijk ben, zou ik denken dat het
vreselijke mensen om te zien zouden zijn. Wat ik zie klopte niet met mijn
beeld in mijn hoofd. Met zo’n idee zou ik iets willen doen: mensen die
heel overtuigd moslim of jehova zijn en die er uiterlijk niet aan voldoen.
Het kan jaren duren voordat ik zoiets uitwerk.
M: Dan ben je de baas, net als kunstenaars dat zijn over hun idee.
T: De windmolens die je geschilderd hebt, ook voor de Beeldenstorm expositie,
komen dreigend over.
M: Dat was het thema van de expositie. Ik vind storm geen vriendelijke woord.
Dreigend is niet iets liefs.
T: Dat werk heeft iets sombers. Als je daar aan werkt, ben je dan zelf ook
somber of blij dat het lukt?
M: Dat laatste. Ik had zin in geel en het contrast. Daar begon het mee. Toen
het zoeken - er moet een mens in.
T: Waarom? Ben jij die mens?
M: Dat heb ik me wel afgevraagd, ik weet het niet. Ik denk soms dat het mijn
kwetsbare kant is die ik laat zien.
T: Schilder je daarom ook vaak kinderen?
M: Kinderen fascineren mij. Dat je je zo weinig herinnert. Ik heb gelezen
dat je de meeste herinneringen hebt uit je jongvolwassenheid, omdat je dan
veel dingen voor het eerst doet en je dat dan ook kunt verwoorden. Kinderen
leven in een context, die ze zelf nog niet snappen en toch moeten ze al dingen
doen. Ze leven tussen oudere mensen, die dat wel allemaal al weten. Ik heb
zelf een zonnige jeugd gehad.
T: Je hebt compassie met kinderen en gunt hen ook een fijne jeugd.
M: Het schilderen van kinderen heb ik niet bedacht. Het is meer ontstaan.
Een idee heb ik niet van tevoren al klaar liggen. Tijdens het schilderen (Marian
wijst op een schilderij in wording) weet ik ‘er moet iets onder de bomen’
en dan zoek ik het op.
T: Ben je in je hoofd altijd bezig met schilderijen of ook met andere dingen?
M: Altijd, maar er is natuurlijk ook de drukte die mij opeist. Het leukste
zijn de ‘clicks’ die je soms krijgt, bijvoorbeeld door foto’s
uit bladen. Het schilderij is een combinatie van wat in je hoofd zit van de
beelden die je krijgt. Dat associatieve is voor mij heel belangrijk. Ik werk
niet vanuit een verhaal, maar vanuit de beelden en dan wordt het een verhaal.
T: Ben je dan al aan het schilderen?
M: Ja, bijvoorbeeld zoals met dat landschap. Er moet nog iets in en ik ga
dan op zoek.
T: Zoals bij het schilderij met die koe. Hoe wist je wat er bij moest?
M: Dat was voor een tentoonstelling voor Guus Kuit. Ik wist dat de koe in
het bos moest, anders is het mijn koe niet. Ik heb geleerd om stug en eigenwijs
mijn eigen idee door te zetten.
T: Gemakzucht ligt altijd op de loer, hoe voorkom je dat?
M: Je hebt wel eens dat je tegen je eigen middelmatigheid aanloopt. Je moet
heel kritisch op jezelf zijn.
T: Bomen geven een consistentie aan je werk. Dat kan ook lastig zijn.
M: Het moeten niet per se bomen zijn, het moet iets toevoegen aan het werk.
Soms is het erg ploeteren. De boom kan nooit een oplossing bieden. Het moet
kloppen. Maar wanneer dat is weet je nooit van te voren. Ik ben niet bang
om een schilderij te verknallen. ‘Kill your darlings’, als je
nu een goed stuk geschilderd hebt dan kun je het morgen ook wel. Hoewel, soms
is het wel geploeter.
T: Kunnen geploeterde schilderijen ook goede schilderijen worden?
M: Voor mij wel. Maar als het geploeter is, denk ik wel eens dat ik het niet
meer kan.
T: Zijn er periodes dat je niet schildert? Dat je een painters block hebt,
zoals een schrijver een writers block kan hebben?
M: Door de drukte schilder ik wel eens minder. Een writers block ligt aan
het gebrek aan een idee. Ideeën genoeg, bij mij is vooral hoe ik het
goed moet krijgen.
T: Ik ken een dichteres die vond dat wat zij schreef te dichtbij kwam. Daarom
wilde ze even stoppen. Ken jij dat?
M: Dat zou voor mij geen reden zijn.
T: Stel dat mensen jou niet kennen en ze zien jouw werk. Leren ze je kennen
door wat je schildert?
M: Moeilijk. Ik laat niet alles zien. Ik vind wel dat er veel van mezelf in
zit, maar ik ben geen therapeutische schilder. Soms is het de verlorenheid,
die ik bij mezelf herken. Dat zijn geen grote thema’s maar dat hoeft
voor mij ook niet. Wat bij mij past en wat ook in mijn werk zit is vrolijkheid,
lichtvoetigheid en eenzaamheid. Juist die combinatie verzin je niet direct.
T: Veranderen jouw schilderijen na verloop van tijd?
M: Nee, maar het gaat ook niet zo diep. Het is een ontstaan beeld en een ontstaan
verhaal. Dat komt uit mij, maar daar houdt het op.
T: Het is niet voor niets dat je dit maakt. Wil je weten waarom je juist dit
soort schilderijen maakt of maakt dat je overbewust?
M: Ik ben te fladderig, dat overbewuste past niet bij mij. Maar het moet wel
iets zijn dat mij diep fascineert anders verzin ik het niet.
T: Het is altijd dat kind dat nooit deel uit lijkt te maken van de groep.
Het kind roept sympathie op en je wilt je er in verplaatsen. Dat is tegelijk
het veilige van een schilderij. Als het heel persoonlijk is en je wilt daar
als schilder niet aan, kun je altijd zeggen ‘het is maar een schilderij’.
Je kent vast Armando. Hij schreef over een jongen die een Duitse soldaat heeft
doodgestoken. Als je dat leest denk je natuurlijk dat Armando dat heeft gedaan.
Hij kan zeggen ‘het is maar een boek’. Het is makkelijk om eerlijk
te zijn in kunst. Het zijn beelden.
T: Welke thema’s zou je niet kunnen schilderen?
M: Ik schilderde nooit landschappen, maar dat is er toch wel bijgekomen. Soms
zijn er dingen waarvan je denkt dat het helemaal niets voor je is, bijvoorbeeld
de kleur geel. Maar dat kan veranderen. Maar het is ook wel leuk om in sommige
dingen nooit te veranderen. Een thema waar ik nog wel eens bezig mee wil zijn
is het losse sokken project. Ken je dat? Hoe komt zo’n sok los van de
andere? Waar blijven al die kwijtgeraakte sokken?
T: Sokken die ’s nachts in hun eentje naar buiten sluipen. Er is een
woord voor: Onk. Dat is één van een paar.
M: Ook eenzame schoenen fascineren mij. Ze hebben iets heel tragisch. Ik wil
graag nog eens een videofilm maken over gevonden schoenen langs de weg.
T: De dichter Pierre Kemp heeft wel eens geschreven over een ‘allerschoenendag’,
een gedenkdag voor afgedankte schoenen. Als je er langer over nadenkt, worden
het levende wezens.
M: Veel mensen hebben wel van die plannetjes, maar je moet het dan gewoon
doen. De Zwitserse kunstenaar Ziegler is zo’n mens. Hij maakt filmpjes
waarin handelingen centraal staan. Bijvoorbeeld: hij staat in de sneeuw, steekt
een vuurpijl af, vliegt in de lucht, met een touw zit zijn muts aan de vuurpijl
vast, die ook in de lucht vliegt. Die man zou met een sok ook wat gekund hebben.
Hij visualiseert dingen, die misschien meer mensen bedenken.
T: Het kan makkelijk een surrogaat voor het leven zijn. Je bedenkt dingen,
maakt daar kunst van. Bedachte levens in plaats van de werkelijkheid. Houdt
het je van het leven af?
M: Ik denk soms wel eens dat dat de functie van kunst is. Kunst doet aan de
verbeelding van het echte leven en kan het vertalen.
T: Als het dat alleen is, dan is het voor mij escapisme. Te weinig.
M: Wat er nog bijkomt dat is reflectie, verwerking en verering. Maar toch
ook wel ontsnappen. Dat is het historisch ook wel geweest.
T: Het leuke van kinderen is dat ze die reflectie niet hebben. Dat kun je
zien.
M: Kinderen zijn heel onbevangen, ik heb jaren een soort logboek bijgehouden
om uitspraken op te schrijven. Ik weet nog van mezelf dat je pas later de
clicks maakt en een logica ontwikkelt. Als kind snap je gewoon nog veel niet.
Ook veel onbegrijpelijke dingen in christelijke liederen.
T: Wij lazen thuis drie keer per dag de bijbel. Van het zinnetje ‘Johannes
at sprinkhanen en wilde honing ...’ heb ik begrepen dat Johannes de
sprinkhanen wel at, maar eigenlijk honing wilde, wat het allemaal nog zieliger
maakte.
M: Door de oude taal heeft de tekst wel meer gewicht.
T: Dat zeg je omdat voor jou die oude taal wat gewoner is. Het staat wel teveel
van mensen af.
M: Ik ben als kind veel in de kerk geweest, het zingen was het leukste.
T: ‘Wie goed zingt, bidt dubbel’, zei Maarten Luther.
T: Waarom vond je het destijds leuk om je aan te melden bij
PEK?
M: Schilderen is eenzaam, ik was net van de academie en wat ik daar had, wilde
ik wel voortzetten. De academie was een inspirerende omgeving. Het geeft prikkels,
stimuleert en geeft energie om het beste uit jezelf te halen. Het eerste jaar
bij PEK was druk, maar daardoor hebben we ook snel elkaar leren kennen. Qua
inhoudelijkheid vind ik er niet veel van terug, maar het is wel gezellig.
Ik heb PEK niet nodig voor het vestigen van kunst opdrachten. Ik zoek het
meer in communicatie en inhoudelijkheid en wijn drinken.
T: Als het vooral voor de gezelligheid is dan hoef je geen ballotage te doen.
M: Ik vind het wel belangrijk, want ik zou nooit alleen bij PEK zijn voor
de gezelligheid.
T: Bij elke groep zijn er wel mensen die leuk zijn. Ik zou wel willen weten
in hoeverre mensen van PEK anders zijn dan van bijvoorbeeld een postduivenvereniging.
M: Onze bindende factor is dat je over kunst kunt praten.
T: In kunst kun je je idealen gestalte geven. Dat levert een ander soort mensen
op. Misschien kun je als algemeenheid wel zeggen: als je niet met wezenlijke
dingen bezig bent, wordt het niks.