Henk Knol

Henk Knol (Overschild, 1955) is dichter. Hij debuteerde in 1990 met de bundel ‘Toch maar de tuin geruimd’.
Vier jaar later verscheen het bibliofiel uitgegeven ‘Ander hooglied’, een samenwerkings-project met beeldend kunstenaar Libbe Venema en grafisch vormgever Steven van der Gaauw te Kolderveen.
Zijn derde bundel ‘Houdbaar stof’ kwam uit in 2000 (Mozaïekreeks, Zoetermeer). Over de reeks ‘Picknick bij Schimmeres’ uit deze bundel schreef neerlandica Liesbeth Goedbloed haar afstudeerscriptie: ‘ik bereik haar niet dan onvervuld’ (close-reading interpretatie van het tweeluik ‘Picknick bij Schimmeres van Henk Knol, maart 2006). Deze studie kan geraadpleegd worden via het webadres www.igitur.nl (Universiteitsbibliotheek Utrecht, Online scripties 2005).
Werk van Knol is opgenomen in verschillende bloemlezingen, waaronder:
- Een zucht als vluchtig eerbetoon (Meulenhoff/Manteau, 1995);
- Het evangelie volgens dichters (Lannoo/Atlas)
- Vrede is eten met muziek, sporen van oorlog in de Nederlandse poëzie (van Gennep, Amsterdam, 2005);
- 25 jaar Nederlandstalige poëzie 1980-2005 in 666 en een stuk of wat gedichten (BnM Uitgevers, Nijmegen, 2006)
Daarnaast werkte hij mee aan poëziefestivals en publiceerde vanaf 1983 in literaire tijdschriften als Woordwerk, Bloknoot, Maatstaf, poëziepunt.gl en Liter. Sinds 2004 is hij aan het laatste tijdschrift verbonden als redacteur.
Naast vrij werk publiceert hij regelmatig werk in opdracht, zoals de reeks ‘Kruidentuin’ in de door Teunis Bunt geredigeerde publicatie ‘Huis Kernhem’ (2003).
Workshop
Op verzoek verzorgt hij thematische workshops over poëzie voor kleinere groepen (literatuurclubs, scholen, studentenverenigingen). Inhoud en opzet worden steeds in nauw overleg met de opdrachtgever samengesteld.
![]()
Verschenen in oktober 2006: 'De overtijd’ bij uitgeverij Mozaïek. (ISBN 90 239 9186 9, prijs € 13,50)
Ander Hooglied: een ‘herdruk’
Ervaringen met getraumatiseerde jongeren in kindertehuizen vormden de aanleiding voor de tweede bundel ‘Ander Hooglied’, een reeks gedichten die de door het Gronings expressionisme van De Ploeg beïnvloede schilder Libbe Venema (1937-1994) aanzette tot een serie tekeningen. Gedichten en tekeningen werden op initiatief van vormgever Steven van der Gaauw samengebracht in de bundel ‘Ander Hooglied’. Deze met de hand ingenaaide bundel werd in een beperkte oplage op de markt gebracht en was binnen enkele maanden uitverkocht.
Daarna werd van verschillende zijden aangedrongen op een herdruk. Hier is steeds van afgezien, omdat de bundel indertijd als eenmalige bibliofiele uitgave is verschenen. De gedichten zijn daarom hieronder ‘herdrukt’ op de website van PEK.(De titels van de gedichten (evenals het citaat in het vijfde gedicht) zijn ontleend aan Revius’ berijming van het Hooglied uit 1621).
![]()
I Wtwendich als een hutgen cleynMaar uitgehold. Want in een punt van tijd
belichaamd tot de lange leegte
van een veel te vroege moederlijkheidwaarin jij overwintert met verdorde vingers.
Wanneer je ongewild bent uitgewoond,
waar moet je dan nog ouder worden:je heupen staan als spanten van een hoekhuis
met huid als leer in rook gehangen.
Er ritselt binnen losgescheurd behang.
II Sijn schaduw’ treckt mij neerDat ik veroordeeld ben en jij tot mij
te schrijven; daarin komen wij bij elkaar
nu ik jouw uitgeveegd gezicht belijnenmoet met neergeslagen ogen, ik wil wel
maar hoe kan ik hiernaar kijken. Ik zou weer
klein en tenger moeten zijn in mededogen.Je schrijft: de dader heeft veel moois gedaan
en zult hem eindeloos verbergen, achter
je dagboek met zijn pluizig beest op schoot.
III Ghy sijt een boogaert fraey omsloten
Ik kan alleen maar naar haar opzien als
een vrouw. Dit blikveld geeft haar beeld een scherpte
waar ik mij aan snijd: zij leeft op nachttarief.Haar voeten gaan op ijzerdraad, ze loopt
op water en door scherven. Kom, niets vragen,
kerft ze fronsend in haar perkamenten huiden weigert borsten met zich om te dragen;
hun rimpel valt tussen haar ribben weg.
Ze telt de dagen af waarop ze bloeden moet.
IV Die met open ogen slapen
Ik heb vannacht gedroomd dat ik je sloeg,
mijn bloed werd zwart; ik had je vader kunnen
zijn en leg de zogenaamde vastheidvan de dingen naast mij neer. want voor ik
het vergeet weet jij van dromen die bestaan.
En schrijf dit los alsof het kinderen zijn:lief bekken, schedeldak en tijdsgewricht.
In deze restvorm zijn de woorden nog niet
wat ze willen worden: braaksel en eindgericht.
V Sijn mont is vol van liefelijcke redenAls een bek vol scherpe steen smaakt het verhaal
hoe ooit jouw ballingschap begon: over
de kruipgang die hij zalvend van je maakteen vooropliep toen men naar jou zocht
en je als eerste zag. Hij wist bijtijds een geil motet
- den coelen dou heeft mij mijn hooft bedropen -.Terwijl hij met zijn ogen jou verbrandde
werd hij de laatste die je goed verstond; jouw
zwijgen was wat hem voorgoed met jou verbond.
VI Keert van mij af u brandend’ ogen
En ik vergrijp mij aan haar wraak die broeit:
eet wat. Hoor je de regen? Neem een bad.
In bad lig ik weer in mijn eigen vuil,schrijft ze. Dus ik probeer: jouw zwijgen doodt ons.
Nee, lees ik, de dood is stil en ik ben dood,
dat was ik al heel lang, het is de kortsteafstand tussen ons. ze rolt zich als een oude
vogel dicht, haar klauwtjes in mijn vuist
en laat zich oorverdovend achter mij.
VII Och, wanneer comt dien dach
Wij zijn gelijkgestemden in dit zwijgend
tieren, wanneer je zo verminkt niet vloeken
mag. Denk aan zijn godvergeten schunnigheid:Kijk kind, de hel; dit godshuis tot de nok
met centen vol en dat is eigen schuld.
Hebben we dat? Goed reken nu de tijduit die je nodig hebt voor jouw verzoening
als je per dag één cent aflossen mag.
Wat zeg je: duizend jaar? Weer onvoldoende.
VIII Wier dorre borst nu vele jaren lanc
Voor die geen moeder worden kan zal ik
een bijzit zijn. Een ongeladen speeltje
voor het afgedreven kind dat aan je zuigt.Of verre buur, aanspraak op afstand aan
je huid: stenig zijn stem. Ik liet mijn handen
thuis, kom achter mij, toe, speel geen ééndagsbruid.Haar nekschot schroeit: kun je geen vader zijn?
Maar dat is haast als God, dat kan ik niet,
dan zal ik steeds verhuld jouw dader zijn.
IX Geroepen doese vloot
Haar deur staat open of ze iets wil zeggen;
ze laat een brief na: dat ze weer kan praten.
Ze zegt dat ze bij mij is uitgewoond.Dit huis staat op mijn naam: geef mij je sleutel,
geef die schaar! Ik knip mijn ogen open
en spoel het bekken schoon van roestig bloed;gesneden beeld dat om een rib ontstond,
dauw glinstert op je ademende mond,
wat ben je mooi, haast brood, onder dat laken.
Interview door Jaap Jorritsma
Henk Knol
Solleveld 27
6715 GW Ede
0318-636791
henkknol@hetnet.nl